Politiek ABC

Politiek ABC

Klik op een woord om de uitleg te lezen.
Of open in één keer het hele Politiek ABC als pdf-document.

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z

A

Abdicatie
Acquis communautaire
Actief kiesrecht
Afgevaardigde
Algemeen kiesrecht
Algemene beschouwingen
Algemene Maatregel van Bestuur
Algemene Rekenkamer
Amendementsrecht
Antithese
Artikeltwaalfgemeente

B

Beginselpartij
Beginselprogramma
Begrotingsrecht
Bewindspersonenoverleg
Blanco stemmen
Budgetrecht
Buitenlanders
Burgemeester
Burgerinitiatief

C

Catshuis
Censuskiesrecht
Centraal Planbureau
Centraal stembureau
Coalitie
College van burgemeester en wethouders
Commissaris van de koningin
Constituerend beraad
Constitutie
Constitutioneel Hof
Constitutionele monarchie
Contraseign

D

Demissionair
Democratie
Directe democratie
Districtenstelsel
Doorbraak
Dualisme

E

Eerste Kamer
Electoraat
Enquêterecht
Europees Parlement
Europese Centrale Bank
Europese Commissie
Europese Raad
Europese Unie
Europese verkiezingen
Evenredige vertegenwoordiging
Exit-polls
Extraparlementair kabinet

F

Formateur
Fractie
Fractiediscipline
Fractievoorzitter

G

Gedeputeerde Staten
Gedoogsteun
Gemeente
Gemeentefonds
Gemeenteraad
Grondwet
Grootste partij

H

Handelingen
Hoge Colleges van Staat
Hoge Raad der Nederlanden
Hoge Vertegenwoordiger
Hoofdelijke stemming
Hoorzitting

I-J

Informateur
Initiatiefrecht
Interim-kabinet
Interpellatierecht

K

Kabinet
Kamervoorzitter
Kandidatenlijst
Kiesdeler
Kiesdistricten
Kiesdrempel
Kieskringen
Kiesraad
Kiesrecht
Kieswet
Kiezerspas
Koning(in)
Koninklijk Besluit
Kroon

L

Leeftijd
Lijstduwer
Lijstkiesdeler
Lijstnummer
Lijsttrekker
Lijsttrekkersdebat
Lijstverbinding

M

Mandaat
Meerderheidskabinet
Meerderheidsstelsel
Memorie van antwoord
Memorie van toelichting
Miljoenennota
Minderheidskabinet
Minister van Staat
Minister zonder portefeuille
Minister-president
Ministeriële verantwoordelijkheid
Ministerraad
Monisme
Motie van wantrouwen
Motierecht

N

Nationaal kabinet
Nationaal Kiezers Onderzoek
Nieuwe partijen

O

Ongeldige stem
Onverkiesbaar
Opiniepeilingen
Opkomst
Opkomstplicht
Oppositie
Oppositieleider
Oproepingskaart

P - Q

Parlementair kabinet
Partij
Partijcongres
Passief kiesrecht
Polarisatiestrategie
Politiek leider
President van Europa
Prinsjesdag
Programpartij
Proteststemmen
Provinciale Staten

Quorum

R

Raad van de Europese Unie
Raad van State
Referendum
Regering
Regeringsverklaring
Regeerakkoord
Representatieve democratie
Restzetels
Rijksbegroting

S

Schengen
Staatsblad
Staatscourant
Staatssecretaris
Staten-Generaal
Statuut
Stembiljet
Stembureau
Stembus
Stemdistrict
Stemmachine
Stempas

T-U

Trias politica
Troonrede
Tweede Kamer

V

Verkiesbaar
Verkiezingscampagne
Verkiezingsprogramma
Vervroegde verkiezingen
Verzuiling
Volksinitiatief
Volmachtstem
Voorkeursdrempel
Voorkeurstem
Vrouwenkiesrecht

W-X

Waarborgsom
Waarnemers
Wethouder
Woensdag

Y-Z

Zendtijd
Zwevende kiezer

---

naar boven

A

Abdicatie

Afstand doen van de troon door een vorst(in). Sinds de invoering van de constitutionele monarchie in 1814 is dit drie keer gebeurd. In 1840 deed koning Willem I (1772-1843) afstand van de troon nadat hij met de Tweede Kamer in conflict was geraakt over door de Kamer gewenste grondwettelijke beperkingen van zijn bevoegdheden en over zijn financiële beleid. Daarnaast speelde het publieke rumoer omtrent het voornemen van de koning om in het huwelijk te treden met een katholieke gravin een rol in zijn besluit tot abdicatie. Hij werd opgevolgd door zijn zoon koning Willem II. In 1948 deed koningin Wilhelmina (1880-1962) afstand van de troon, enerzijds omdat zij teleurgesteld was over de terugkeer van de ‘oude’ politieke verhoudingen na de Tweede Wereldoorlog en anderzijds omdat zij na een regeerperiode van vijftig jaar plaats wilde maken voor haar dochter. Koningin Juliana (1909-2004) trad op haar beurt in 1980 af ten gunste van koningin Beatrix.

naar boven

Acquis communautaire

Het gemeenschapsrecht van de Europese Unie (EU).Tot dit acquis behoren alle regels, wetten en verdragen die tot nu toe in de EU zijn aangenomen, plus de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Om toe te kunnen treden tot de EU, moet een kandidaat-lidstaat het volledige acquis in haar nationale wetgeving verwerken. Het acquis is in 35 hoofdstukken opgedeeld, deze variëren van veiligheid tot milieubeleid en van consumentenrecht tot steun aan ontwikkelingslanden.

naar boven

Actief kiesrecht

Het recht om te stemmen tijdens verkiezingen voor Tweede Kamer , Provinciale Staten , gemeenteraden (plus eventuele stadsdeelraden en deelgemeenteraden), waterschapsbesturen en het Europees Parlement. Alle Nederlanders van achttien jaar en ouder hebben actief kiesrecht. Bij verkiezingen voor gemeenteraden, stadsdeelraden (Amsterdam) en deelgemeenteraden (Rotterdam) mag bovendien een deel van de in Nederland wonende buitenlanders stemmen. Het gaat dan om burgers van lidstaten van de Europese Unie (EU) en om niet-Nederlanders die ten minste vijf jaar legaal in Nederland wonen. Bij verkiezingen voor het Europees Parlement mogen ook in Nederland woonachtige burgers van de lidstaten van de EU stemmen. Uitgezonderd van het actief kiesrecht zijn mensen die wegens een verstandelijke handicap ‘onder curatele’ zijn geplaatst. Ook kan ontzetting uit het kiesrecht zijn opgenomen in een door de rechter opgelegde straf. Dat kan slechts bij een beperkt aantal delicten en dan alleen als men is veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar. Een bij velen bestaand misverstand is dat van alle gevangenen het kiesrecht zou zijn opgeschort.

naar boven

Afgevaardigde

Lid van een vertegenwoordigend orgaan namens een politieke partij of groepering. Het aantal afgevaardigden in vertegenwoordigende organen is verschillend. De Tweede Kamer en de Eerste Kamer tellen respectievelijk 150 en 75 leden. Het aantal afgevaardigden in de Provinciale Staten is afhankelijk van het aantal inwoners van de provincie en varieert van 39 tot 55. De omvang van een gemeenteraad is afhankelijk van het aantal inwoners van de gemeente en kan uiteenlopen van 9 tot 45 leden. Het Europees Parlement telt 736 leden, van wie er 25 uit Nederland komen. In Nederland is het niet gebruikelijk dat afgevaardigden het woord rechtstreeks tot elkaar of tot de bestuurder richten, maar via de voorzitter van het betreffende orgaan met elkaar van gedachten wisselen. In debatten hoor je daarom dikwijls ‘mijnheer de voorzitter’ of ‘mevrouw de voorzitter’.

naar boven

Algemeen kiesrecht

In de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw bestond in Nederland het zogeheten censuskiesrecht . Alleen een kleine groep rijke mannen mocht aan de verkiezingen meedoen, en wel op grond van de hoeveelheid belasting die ze betaalden. Aanvankelijk richtten de voorstanders van kiesrechtuitbreiding zich dan ook op verlaging van de census. Bij de grondwetsherziening van 1887 werd de groep kiezers uitgebreid naar personen die over bepaalde tekenen van ‘maatschappelijke welstand’ beschikten. In 1896 vond een verdere verruiming van het aantal kiesgerechtigden plaats. Mede als gevolg van de stijgende welvaart bezat in 1910 ongeveer 63 procent van de mannelijke bevolking stemrecht. In het eerste decennium van de twintigste eeuw nam de beweging voor algemeen kiesrecht sterk in kracht toe. Bij de grondwetsherziening van 1917 kreeg de gehele mannelijke bevolking kiesrecht, maar pas in 1919 werd het actief kiesrecht ook aan vrouwen toegekend. Van ‘algemeen kiesrecht’ is dus sprake sinds 1919. De eerste verkiezingen op basis van algemeen kiesrecht vonden plaats in 1922.

naar boven

Algemene beschouwingen

Op de twee dagen na Prinsjesdag , namelijk de derde woensdag en donderdag van september, vinden in de Tweede Kamer de algemene politieke beschouwingen plaats, kortweg algemene beschouwingen genoemd. De fractievoorzitters van alle partijen in de Tweede Kamer gaan dan met elkaar en met de minister-president in debat over de hoofdlijnen van het te voeren regeringsbeleid, zoals gepresenteerd in de troonrede , de miljoenennota en de rijksbegroting . De debatten vinden in twee ronden plaats: eerst spreken de fractievoorzitters, dan voert de minister-president het woord, vervolgens spreken opnieuw de fractievoorzitters, waarna de minister-president het debat afsluit. De fractievoorzitters spreken in een vaste volgorde en kunnen elkaar en de minister-president interrumperen (in de rede vallen). Enkele weken na de algemene politieke beschouwingen vinden de algemene financiële beschouwingen plaats - dan debatteren de financiële woordvoerders van de fracties en de minister en staatssecretaris van Financiën over het financiële beleid van de regering en de begroting van het ministerie van Financiën.

naar boven

Algemene Maatregel van Bestuur

Een AMvB is een door de regering vastgestelde algemene regeling. Meestal bevat zij een nadere uitwerking van een wet. Advies van de Raad van State is verplicht, maar medewerking van de Staten-Generaal is niet vereist. Een AMvB heeft de vorm van een Koninklijk Besluit en wordt gepubliceerd in het Staatsblad.

naar boven

Algemene Rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is een Hoog College van Staat en heeft een onafhankelijke positie ten opzichte van de regering. Het college van de Algemene Rekenkamer telt drie leden. De Rekenkamer heeft als taak om te controleren of de inkomsten en uitgaven van het Rijk kloppen en of het Rijk beleid uitvoert zoals het bedoeld is. De Rekenkamer spreekt dus een oordeel uit over beleid dat door de regering is vastgesteld; zij doet geen politieke uitspraken. Wel kan de Rekenkamer oordelen dat een wet niet werkt volgens de bedoeling van die wet. Het is vervolgens aan de regering en/of de Tweede Kamer om hier politieke uitspraken over te doen.

naar boven

Amendementsrecht

Dit is het recht van de Tweede Kamer om wijzigingen op een wetsontwerp in te dienen. Van dit recht wordt vaak gebruik gemaakt. Indien het amendement door de Kamer wordt aangenomen, dan is het ontwerp conform het amendement gewijzigd. Alvorens behandeling plaatsvindt kan de minister het amendement echter ontraden of zelfs onaanvaardbaar verklaren. Mocht de Kamer in zo’n geval voet bij stuk houden, dan kan de minister het gehele wetsontwerp intrekken. De Eerste Kamer bezit geen amendementsrecht en kan een wetsontwerp slechts in zijn geheel goed- of afkeuren. Dit verschil tussen Tweede en Eerste Kamer geeft aan dat de Tweede Kamer het belangrijkste politieke orgaan is en dat de Eerste Kamer zich tot de hoofdlijnen van beleid moet beperken.

naar boven

Antithese

De antithese is vanouds de tegenstelling tussen christelijke en niet-christelijke partijen. In de laatste decennia van de negentiende eeuw en de eerste decennia van de twintigste eeuw werd de politieke strijd in Nederland vooral beheerst door de tegenstelling tussen de liberalen enerzijds en de confessionelen anderzijds. De liberalen en later ook de sociaaldemocraten wilden het geloof buiten de politiek houden, terwijl de confessionelen (met name de antirevolutionairen) vonden dat geloof en politiek juist met elkaar verbonden moesten worden. Voor de antirevolutionairen was God de bron van het soevereine gezag, voor de liberalen en de sociaaldemocraten was dat het volk (volkssoevereiniteit). Inhoudelijke en culturele verschillen kwamen in de praktische politiek tot uitdrukking. Een voorbeeld hiervan was de zogeheten schoolstrijd, die ging om de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs.

naar boven

Artikeltwaalfgemeente

De Nederlandse gemeenten zijn voor hun inkomsten grotendeels afhankelijk van het Rijk. Daarnaast krijgt een gemeente geld van haar eigen burgers via de zogeheten gemeentelijke heffingen en belastingen. Op basis van verwachte inkomsten en uitgaven stellen gemeenten jaarlijks een begroting op. Een gemeente die er enkele jaren achtereen niet in slaagt om haar begroting sluitend te krijgen, kan het Rijk om een aanvullende uitkering vragen. Hieraan zijn twee voorwaarden verbonden: er moet inderdaad sprake zijn van structurele tekorten en de eigen inkomsten moeten tot een redelijk niveau zijn opgevoerd. Op een dergelijke gemeente is dan artikel 12 van de Financiële verhoudingswet van toepassing. We spreken in zo’n geval daarom van een artikeltwaalfgemeente. De aanvullende uitkering kan voor één of meer jaren worden toegekend.

naar boven

B

Beginselpartij

Veel politieke partijen beschikken over een beginselprogramma , waarin de uitgangspunten van de betreffende partijen zijn vastgelegd. De term beginselpartij is formeel gesproken van toepassing op elke partij met een beginselprogramma, maar in de praktijk wordt deze aanduiding vooral gebruikt voor een partij die zich in haar politieke handelen sterk laat leiden door haar beginselen. Tegenover een beginselpartij staat een programpartij : die richt zich alleen op het geldende verkiezingsprogramma. In ons land is meestal sprake van een mengvorm van beide typen partijen. De orthodoxe protestants-christelijke partijen (SGP en ChristenUnie) opereren sterk vanuit hun beginselen.

naar boven

Beginselprogramma

Het beginselprogramma is het basisprogramma van een politieke groepering of partij. Algemene beginselen of uitgangspunten worden hierin verwoord en toegepast op maatschappelijke en politieke vraagstukken. Een beginselprogramma wordt dikwijls ook beginselverklaring of program van uitgangspunten genoemd. De concrete uitwerking van een beginselprogramma vindt plaats in een verkiezingsprogramma .

naar boven

Begrotingsrecht

Recht van de Staten-Generaal om samen met de regering de begroting van alle inkomsten en uitgaven van het Rijk voor een bepaald jaar vast te stellen en de bestemming van de uitgaven te bepalen. De rijksbegroting moet bij wet worden vastgesteld. Dat betekent dat de door de regering ingediende begrotingswetsvoorstellen door beide Kamers der Staten-Generaal moeten worden goedgekeurd. Anders dan de Eerste Kamer kan de Tweede Kamer begrotingsvoorstellen van de regering wijzigen (omdat zij over het amendementsrecht beschikt). Na afloop van het begrotingsjaar moet de regering verantwoording afleggen aan de Staten-Generaal over de inkomsten en uitgaven van het Rijk. De Staten-Generaal hebben op het terrein van de begroting dus zowel wetgevende als controlerende bevoegdheden. Het begrotingsrecht wordt ook wel budgetrecht genoemd.

naar boven

Bewindspersonenoverleg

Overleg tussen de ministers en de staatssecretarissen van een regeringspartij met de fractievoorzitter van die partij in de Tweede Kamer. De voorzitter van de betreffende partij neemt ook vaak deel aan het overleg, dat doorgaans wordt gehouden op donderdagavond (voorafgaande aan de vergadering van de ministerraad op vrijdag).

naar boven

Blanco stemmen

Een kiesgerechtigde die blanco stemt gaat wel naar het stembureau, maar maakt geen gebruik van de mogelijkheid om een kandidaat dan wel partij te kiezen - hij vult niets in op het stembiljet. Het uitbrengen van een blanco stem heeft uitsluitend symbolische betekenis. Invloed op de zetelverdeling heeft de blancostemmer niet. Ook bij veel blanco stemmen blijven er geen zetels onbezet. In de tijd dat er nog opkomstplicht bestond bij verkiezingen, was blanco of ongeldig stemmen de enige manier om, bijvoorbeeld uit protest, op een legale manier niet op één van de deelnemende partijen te stemmen. Sinds de afschaffing van de opkomstplicht is blanco stemmen een manier om te laten zien dat men weliswaar geen keuze kan maken tussen de partijen, maar toch waarde hecht aan het stemrecht.

naar boven

Budgetrecht

Zie begrotingsrecht .

naar boven

Buitenlanders

Na ten minste vijf jaar legaal in Nederland te hebben gewoond, krijgen buitenlanders van achttien jaar en ouder stemrecht voor de verkiezingen van gemeenteraden (en deelraden in Amsterdam en Rotterdam). Ook kunnen zij zich verkiesbaar stellen. Burgers van lidstaten van de Europese Unie (EU) hebben na vestiging in Nederland onmiddellijk actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en verkiezingen voor het Europees Parlement.

naar boven

Burgemeester

Een burgemeester is de voorzitter van zowel het college van burgemeester en wethouders als de gemeenteraad . Als voorzitter van het college heeft de burgemeester stemrecht - zijn stem kan zelfs de doorslag geven als de stemmen van de wethouders staken. Hij heeft onder meer tot taak de eenheid van het collegebeleid te bevorderen en hij moet toezien op de kwaliteit in de verhouding tussen burgers en bestuur. Als voorzitter van de gemeenteraad heeft de burgemeester geen stemrecht - wel kan hij in de vergadering van de raad aan de discussie deelnemen. Vanouds is de burgemeester de eerstverantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid in de gemeente. Hij is ook het hoofd van de brandweer. De burgemeester wordt benoemd door de Kroon , dat wil zeggen bij Koninklijk Besluit op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In de benoeming volgt de minister meestal de aanbeveling van de gemeenteraad. Een burgemeester wordt voor een periode van zes jaar benoemd.

naar boven

Burgerinitiatief

Het burgerinitiatief is het recht van burgers om onderwerpen of concrete voorstellen op de agenda van een volksvertegenwoordigend orgaan te plaatsen. Dat orgaan moet hierover ook een standpunt innemen. Het burgerinitiatief is een vorm van directe democratie en kan worden beschouwd als aanvulling op het stelsel van representatieve democratie , zoals we dat in Nederland kennen. Het belangrijkste doel van het burgerinitiatief is om de band tussen burger en bestuur te versterken. Voor invoering van het burgerinitiatief is geen wettelijke regeling nodig. Het burgerinitiatief is zowel op gemeentelijk, provinciaal als landelijk niveau mogelijk.

naar boven

C

Catshuis

Ambtswoning van de minister-president in Den Haag, die voornamelijk wordt gebruikt voor officiële ontvangsten. Het huis is halverwege de zeventiende eeuw gebouwd in opdracht van de dichter en politicus Jacob Cats (1577-1660).

naar boven

Censuskiesrecht

In de negentiende eeuw was het stemrecht gekoppeld aan de hoeveelheid belasting die iemand betaalde. Dit systeem wordt censuskiesrecht genoemd. Door geleidelijke verlaging van het bedrag aan belasting waarboven men stemrecht kreeg, werd het aantal kiezers in de loop van de eeuw uitgebreid. In 1917 en 1919 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd, respectievelijk voor mannen en voor vrouwen.

naar boven

Centraal Planbureau

Het Centraal Planbureau (CPB) maakt economische analyses en stelt prognoses op. Het maakt onderdeel uit van het ministerie van Economische Zaken. Het CPB werkt onder meer voor het kabinet, maar ook voor (leden van) het parlement en organisaties van werkgevers en werknemers.

naar boven

Centraal stembureau

Bij elke verkiezing wordt de uitslag vastgesteld door een centraal stembureau, dat de uitslagen van alle stembureaus verzamelt. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer en het Europees Parlement treedt de Kiesraad op als centraal stembureau. Het centraal stembureau zorgt voorafgaand aan de verkiezingen ook voor de registratie van politieke partijen die aan de betreffende verkiezingen meedoen.

naar boven

Coalitie

Omdat geen enkele politieke partij in Nederland over een meerderheid in de Tweede Kamer beschikt, is voor het vormen van een regering altijd een coalitie van twee of meer partijen nodig. Deze coalities krijgen dikwijls een bepaalde aanduiding. Na de Tweede Wereldoorlog sprak men van rooms-rode coalities (van katholieken en sociaaldemocraten), in de jaren negentig van paarse coalities (van sociaaldemocraten en liberalen). Tevens wordt gesproken over centrumlinkse of centrumrechtse coalities, al naar gelang de politieke samenstelling van het kabinet . Na de verkiezingen van 2006 waren drie partijen nodig om een meerderheid in de Kamer te vormen.

naar boven

College van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders (b. en w.) vormt het bestuur van een gemeente. Als zodanig bezit het college eigen bestuursverantwoordelijkheden, onder meer op grond van allerlei landelijke wetten en regelingen. Daarnaast zorgt het college voor de voorbereiding van zaken waarover de gemeenteraad moet beslissen en voor de uitvoering van raadsbesluiten. De burgemeester wordt formeel benoemd door de Kroon, een wethouder wordt door de raad gekozen. Het aantal wethouders is afhankelijk van het aantal inwoners van de gemeente (minimaal twee en maximaal negen). Het college werkt op basis van een coalitieakkoord, waarvoor alle leden zowel gezamenlijk als afzonderlijk verantwoordelijk zijn. Dat noemen we collegiaal bestuur. Als het college niet langer het vertrouwen van de raad geniet, moet het college in zijn geheel aftreden, maar vervroegde verkiezingen zijn op gemeentelijk niveau niet mogelijk. Een nieuw college moet dan worden gevormd op basis van de bestaande zetelverdeling in de gemeenteraad.

naar boven

Commissaris van de koningin

Elke provincie heeft een commissaris van de koningin. Hij is voorzitter van het college van Gedeputeerde Staten en van Provinciale Staten , maar hij heeft alleen stemrecht in het college van GS. Daarnaast ontleent de commissaris aan landelijke wetten een aantal bevoegdheden, met name op het gebied van rampenbestrijding. De commissaris van de koningin (die in Limburg gouverneur heet) wordt voor een periode van zes jaar benoemd (met de mogelijkheid van herbenoeming), en wel door de Kroon op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In de benoeming volgt de minister meestal de aanbeveling van Provinciale Staten.

naar boven

Constituerend beraad

Eerste formele vergadering van een pas gevormd kabinet onder leiding van de formateur , die doorgaans minister-president wordt. De kandidaat-ministers onderschrijven in dit beraad het nieuwe regeerakkoord . Na het beraad wordt het kabinet beëdigd door het staatshoofd.

naar boven

Constitutie

De fundamentele regels en beginselen die betrekking hebben op de inrichting van de staat en de verhouding tussen de staat en zijn burgers. Veel van deze regels liggen vast in de Grondwet , andere vloeien voort uit een gegroeide gewoonte, internationale verdragen of gewone wetten.

naar boven

Constitutioneel Hof

Een Constitutioneel Hof is een orgaan dat bekijkt of wetten en verdragen niet in strijd zijn met de grondwet van een land. Er vindt dus een grondwettelijke toetsing plaats. Nederland heeft geen Constitutioneel Hof. De Nederlandse grondwet verbiedt de rechter zelfs om de wet aan de grondwet te toetsen. Onze buurlanden België en Duitsland, beide federale staten, beschikken wel over een dergelijk hof. Daar beslist het Constitutioneel Hof tevens in geval van conflicten in wetgeving tussen de centrale overheid enerzijds en de deelstaten anderzijds en tussen deelstaten onderling.

naar boven

Constitutionele monarchie

Koningschap dat berust op een constitutie, waardoor de macht van de koning(in) beperkt is. In Nederland is de constitutionele monarchie in 1814 ingevoerd. Aanvankelijk bezat de koning nog uitgebreide bevoegdheden, maar in de grondwet van 1848 werden zij behoorlijk beknot. Er waren echter verschillende conflicten nodig tussen koning en parlement om over de feitelijke machtsverhoudingen in het land duidelijkheid te krijgen. Hoewel de koning(in) in Nederland heden ten dage over zeer weinig macht beschikt, maakt het staatshoofd – anders dan bijvoorbeeld in Zweden – wel deel uit van de regering. Daardoor speelt de koning(in) onder meer een rol in de kabinetsformatie.

naar boven

Contraseign

Handtekening van een bewindspersoon onder bijvoorbeeld een wet of een Algemene Maatregel van Bestuur. Deze medeondertekening, naast die van het staatshoofd, geeft de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon voor de inhoud van het stuk weer.

naar boven

D

Demissionair

Een kabinet wordt demissionair na verkiezingen of na een kabinetscrisis. Dat betekent dat een kabinet ontslag heeft gevraagd aan de koningin, maar dat dit ontslag nog niet is verleend. In afwachting van het aantreden van een nieuw kabinet of een oplossing van de crisis blijven ministers en staatssecretarissen op hun post om lopende zaken waar te nemen. De ongeschreven regel is dat de regering in deze periode geen omstreden maatregelen meer neemt.

naar boven

Democratie

Staatsvorm waarin een vertegenwoordiging van het volk de hoogste macht heeft en een overwegende invloed heeft op het regeringsbeleid. Essentiële kenmerken van een democratie zijn onder meer vrije en eerlijke verkiezingen, het bestaan van politieke partijen of groeperingen en vrije media.

naar boven

Directe democratie

Van directe democratie is sprake als alle leden van een samenleving direct, zonder tussenkomst van gekozen volksvertegenwoordigers, regeren volgens het principe ‘de meeste stemmen gelden’. In de klassieke Atheense democratie (vijfde eeuw voor Christus) werden de bestuurders bij toerbeurt door het lot aangewezen. Indien besluitvorming plaatsvindt door gekozen vertegenwoordigers, spreken we van indirecte of representatieve democratie . Het bestuur wordt gevormd door mensen die van de politiek hun vak hebben gemaakt (politici). Vandaag de dag bestaan er geen democratieën die uitsluitend zijn gebaseerd op de beginselen van directe democratie. Wel zijn er landen die een mengvorm van directe en indirecte democratie kennen. Daarvan is Zwitserland een bekend voorbeeld. Ook in Nederland zijn er verschillende partijen en groeperingen die naast verkiezingen verschillende vormen van directe democratie in ons staatsbestel willen introduceren, zodat burgers rechtstreeks bij besluitvormingsprocessen worden betrokken. Een van de bekendste vormen van directe democratie is het referendum (volksraadpleging).

naar boven

Districtenstelsel

Er zijn verschillende manieren om een verkiezingsuitslag te vertalen in een zetelverdeling. Van een districtenstelsel spreken we als een land in meerdere kiesdistricten is verdeeld en er per district een of meer zetels in een vertegenwoordigend lichaam toegekend worden (respectievelijk enkelvoudige en meervoudige districten). In meerderheidsstelsels worden zetels altijd per district toegekend, in evenredigheidsstelsels is dat ook mogelijk, maar niet noodzakelijk. In het Nederlandse systeem van evenredige vertegenwoordiging wordt het land als één geheel beschouwd. Nederland heeft dus geen kiesdistricten. België kent ook evenredige vertegenwoordiging, maar maakt wel gebruik van kiesdistricten.

naar boven

Doorbraak

Term waarmee het streven na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) wordt aangeduid om de bestaande scheidslijn tussen religieuze en niet-religieuze partijen te doorbreken. Onder invloed van de economische crisis van de jaren dertig en de ervaringen van de oorlog was met name in sociaaldemocratische kring de behoefte ontstaan om het sterk verdeelde Nederlandse politieke landschap te vernieuwen. Men wilde een brede progressieve volkspartij oprichten die zowel christenen als niet-christenen zou omvatten. De doorbraak mislukte echter: de nieuwe partij (PvdA) trok toch met name sociaaldemocraten aan, terwijl de verschillende confessionele partijen gewoon bleven bestaan. Nederland bleef bovenal gekenmerkt door de verzuiling, dat wil zeggen door confessionele en sociaaleconomische scheidslijnen in politiek en samenleving. Daaraan kwam in de loop van de jaren zestig langzaam maar zeker een einde.

naar boven

Dualisme

Scheiding van verantwoordelijkheid tussen volksvertegenwoordiging enerzijds en regering anderzijds, respectievelijk tussen een fractie in het parlement en de ministers van diezelfde partij in de regering. Hierdoor ontstaat een soort machtsevenwicht. Het tegenovergestelde van dualisme is monisme . Deze begrippen zijn ook van toepassing op lagere overheden. In de politieke praktijk blijkt het altijd erg lastig te zijn om te laveren tussen dualisme en monisme, niet alleen omdat bestuurders vaak loyaliteit verwachten van volksvertegenwoordigers van dezelfde politieke kleur, maar ook omdat bestuurders van verschillende politieke partijen doorgaans afspraken hebben gemaakt die vervolgens moeten worden nagekomen.

naar boven

E

Eerste Kamer

Een van beide Kamers der Staten-Generaal , ook wel Senaat genoemd. De Eerste Kamer is in 1815 door koning Willem I in het leven geroepen, en wel op verzoek van de adel uit België, waarmee Nederland in dat jaar was verenigd. Op deze manier wilde de Belgische adel een plaats in het parlement krijgen. Na de afscheiding van België in 1830 bleef de Eerste Kamer bestaan. Aanvankelijk werden de Eerste Kamerleden door de koning benoemd, maar vanaf 1848 worden zij gekozen door de leden van de Provinciale Staten . De eisen die aan het lidmaatschap van de Eerste Kamer werden gesteld (zo moest men onder meer een bepaalde hoeveelheid belasting betalen), vielen pas na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) weg. Sinds 1983 wordt de Eerste Kamer om de vier jaar gekozen, en wel in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging . De Eerste Kamer moet in de Tweede Kamer aangenomen wetsontwerpen in hun geheel beoordelen, want zij mist het amendementsrecht . De Eerste Kamer telt 75 leden, die doorgaans op dinsdag bijeenkomen. In discussies over staatsrechtelijke vernieuwing wordt de positie van de Eerste Kamer zo nu en dan ter discussie gesteld.

naar boven

Electoraat

Alle kiezers (=kiesgerechtigden) tezamen.

naar boven

Enquêterecht

Recht van beide Kamers der Staten-Generaal om een kwestie tot op de bodem uit te zoeken, door middel van het horen van deskundigen en getuigen onder ede. Hiertoe stelt de Kamer uit haar midden een enquêtecommissie samen. De Tweede Kamer heeft sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog negen keer een enquête gehouden, onder meer over de bouwnijverheid en de vliegramp in de Bijlmermeer. Een enquêtecommissie maakt een verslag van haar bevindingen, dat door de Kamer wordt besproken. Een en ander kan leiden tot het aftreden van een bewindspersoon. De Eerste Kamer heeft nog nooit van het enquêterecht gebruik gemaakt.

naar boven

Europees Parlement

Het Europees Parlement is het enige Europese orgaan dat rechtstreeks door de burgers wordt gekozen. De verkiezingen voor het Parlement worden om de vijf jaar gehouden. Sinds de verkiezingen van juni 2009 telt het Parlement 736 zetels, verdeeld over de 27 lidstaten. Het aantal zetels zal binnenkort worden uitgebreid met 18 zetels, en wel als gevolg van het Verdrag van Lissabon. De Europarlementariërs zitten bij elkaar op basis van politieke voorkeur, niet op basis van nationaliteit. Het Europees Parlement komt twee keer per maand bij elkaar, één keer in Straatsburg en één keer in Brussel. De belangrijkste taken van het Parlement zijn: vertegenwoordiging van de Europese burgers, samen met de Raad van Ministers beslissen over nieuwe Europese wetten en de EU-begroting vaststellen (de Raad heeft echter voor bijvoorbeeld de landbouwuitgaven en de uitgaven met betrekking tot internationale overeenkomsten het laatste woord) en het controleren van de Europese Commissie.

naar boven

Europese Centrale Bank

De Europese Centrale Bank (ECB) is de centrale bank van de Europese Unie. De bank is sinds 1 januari 1999 verantwoordelijk voor het monetaire beleid in het eurogebied. Haar hoofddoel is het behoud van prijsstabiliteit. De ECB is gevestigd in Frankfurt. De nationale banken van de lidstaten die de euro gebruiken hebben een groot deel van hun bevoegdheden aan de ECB overgedragen.

naar boven

Europese Commissie

De Europese Commissie wordt beschouwd als het dagelijks bestuur van de Europese Unie. De Commissie bestaat uit 27 eurocommissarissen, één uit elke lidstaat. Elke eurocommissaris is verantwoordelijk voor één of meer beleidsterreinen. De Commissie kan als enig Europees orgaan nieuwe wetten voorstellen (recht van initiatief), die vervolgens moeten worden goedgekeurd door het Europees Parlement en de Raad van Ministers. Ook is de Commissie eindverantwoordelijk voor de begroting. De Commissie wordt elke vijf jaar opnieuw gekozen. De Europese Raad draagt een nieuwe voorzitter voor en deze voordracht moet vervolgens worden goedgekeurd door het Europees Parlement. Daarna kiest de voorzitter de nieuwe eurocommissarissen, wederom met instemming van de Raad en het Parlement.

naar boven

Europese Raad

De Europese Raad bestaat uit de regeringsleiders van alle 27 lidstaten plus de voorzitter van de Europese Commissie. Zij komen minstens vier keer per jaar bij elkaar. De bijeenkomsten van de Raad zijn belangrijk omdat hij nieuwe richtlijnen vaststelt die door de Europese Commissie worden verwerkt in nieuwe wetsvoorstellen. De vergaderingen duren meestal twee dagen en worden ook wel ‘Europese toppen’ genoemd. De Europese Raad heeft sinds de invoering van het Verdrag van Lissabon in 2009 een vaste voorzitter, die voor tweeënhalf jaar wordt benoemd. De Europese Raad moet niet worden verward met de Raad van de Europese Unie (ook wel Raad van Ministers genaamd) of de Raad van Europa.

naar boven

Europese Unie

Het verlangen naar een Europese Unie ontstond na de Tweede Wereldoorlog, uit het idee ‘dit nooit meer’. In 1951 ondertekenden zes landen -- Italië, België, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Luxemburg – het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). In 1955 werd besloten de Europese integratie uit te breiden tot alle economische sectoren, waarna in 1958 de verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) in werking traden. Op 1 januari 1973 was de eerste uitbreiding een feit toen Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk toetraden. In 1981 werd Griekenland lid en in 1986 traden Spanje en Portugal toe. In 1993 werd het Verdrag betreffende de Europese Unie (Verdrag van Maastricht) van kracht. Dit verdrag legt onder meer de basis voor een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en voor de oprichting van een Economische en Monetaire Unie met één enkele munteenheid. Op 1 januari 1995 werden Oostenrijk, Finland en Zweden lid van de EU. In 2004 vond de grootste uitbreiding plaats – de EU kreeg tien nieuwe lidstaten en ging daarmee van 15 naar 25: Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië werden lid. In 2007 was de toetreding van Roemenië en Bulgarije een feit.

naar boven

Europese verkiezingen

Het Europees Parlement is het enige Europese orgaan dat direct door de burgers wordt gekozen. Elke vijf jaar zijn er nieuwe verkiezingen. De Europarlementariërs worden per lidstaat gekozen volgens een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Binnen dit stelsel maken zes landen gebruik van kiesdistricten, te weten België, Frankrijk, Ierland, Italië, Polen en het Verenigd Koninkrijk. De overige landen vormen één groot kiesdistrict. In de lidstaten wordt gestemd op een kandidaat van een nationale partij. Iedere Europese burger van 18 jaar of ouder mag stemmen, met uitzondering van degenen die door de rechter van het stemrecht zijn uitgesloten. Als je in een ander Europees land woont dan waar je bent geboren, dan mag je daar stemmen. De belangstelling voor de Europese verkiezingen is niet groot. Bij de verkiezingen in 2009 was de opkomst in Nederland 36,5%. De gemiddelde opkomst in de Europese lidstaten bedroeg 43,4%.

naar boven

Evenredige vertegenwoordiging

Bij een stelsel van evenredige vertegenwoordiging worden de zetels in een vertegenwoordigend lichaam na verkiezingen ongeveer naar evenredigheid van het aantal verkregen stemmen over de partijen verdeeld. Een kwart van de stemmen is dus goed voor eveneens (ongeveer) een kwart van de zetels. Kleine partijen hebben in dit systeem aanzienlijk betere kansen dan in een meerderheidsstelsel. In veel landen met een stelsel van evenredige vertegenwoordiging haalt geen enkele partij de meerderheid en moet door onderhandelingen een coalitie van verschillende partijen worden gevormd. Een vaak genoemd nadeel is dat de kiezers hierdoor geen rechtstreekse invloed hebben op de samenstelling van de regering. In Nederland is het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1917 ingevoerd.

naar boven

Exit-polls

Op de dag van de verkiezingen wordt bij de uitgang van een aantal speciaal geselecteerde stembureaus aan de kiezers gevraagd wat ze hebben gestemd. Deze zogenaamde 'exit-polls' (uitgangspeilingen) leveren doorgaans een goed beeld op van de einduitslag. De resultaten van deze opiniepeiling worden op televisie direct na sluiting van de stembussen (21.00 uur) bekendgemaakt. Als in de loop van de avond de echte uitslagen binnenkomen, worden de verwachtingen bijgesteld.

naar boven

Extraparlementair kabinet

Kabinet dat buiten de Tweede Kamer om is samengesteld. Het heeft een losse binding met regeringsgezinde fracties. Een extraparlementair kabinet zou bijvoorbeeld kunnen bestaan uit specialisten op bepaalde terreinen, die niet of nauwelijks gebonden zijn aan programma’s van politieke partijen.

naar boven

F

Formateur

Wanneer tijdens de kabinetsformatie de informateur heeft uitgezocht welke partijen samen een regering willen vormen en er een regeerakkoord is opgesteld, wordt door de koning(in) een formateur benoemd. De formateur houdt zich bezig met de portefeuilleverdeling binnen de toekomstige regering en zoekt de ministers en staatssecretarissen bij elkaar. Doorgaans is het ook de formateur die het kabinet gaat leiden en minister-president wordt.

naar boven

Fractie

Alle leden van één partij in een vertegenwoordigend lichaam. Een fractie wordt geleid door een fractievoorzitter . Binnen een fractie worden de taken verdeeld: er worden afspraken gemaakt wie over welk onderwerp woordvoerder wordt. Grote fracties beschikken vaak over fractiecommissies, waarin de specialisten op een bepaald gebied met elkaar overleggen.

naar boven

Fractiediscipline

Als een fractie een standpunt over een bepaald onderwerp heeft ingenomen, dienen de fractieleden zich hieraan te houden en overeenkomstig dit standpunt te stemmen. In bijzondere gevallen wordt er ruimte geboden om van een fractiestandpunt af te wijken. Soms ook leidt het schenden van de fractiediscipline tot het vertrek van een lid van de fractie.

naar boven

Fractievoorzitter

De leider van een fractie. De fractievoorzitter is vaak ook de politiek leider van een partij. Hij voert bij belangrijke kwesties en bij de algemene politieke beschouwingen het woord en hij is de onderhandelaar bij de kabinetsformatie.

naar boven

G

Gedeputeerde Staten

Het college van Gedeputeerde Staten (GS) vormt het bestuur van een provincie. De gedeputeerden worden gekozen door Provinciale Staten voor een periode van vier jaar. Een gedeputeerde kan niet tegelijkertijd Statenlid zijn. In het college houdt iedere gedeputeerde zich bezig met een aantal verschillende onderwerpen, zoals ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer, natuur en milieu of welzijn en cultuur. Het aantal gedeputeerden varieert per provincie en hangt af van het aantal inwoners. Het zijn er minimaal drie en maximaal negen. Gedeputeerden hebben een volledige baan aan het besturen van een provincie en krijgen daarvoor een salaris. Het college van GS is ook belast met het toezicht op de gemeentelijke financiën.

naar boven

Gedoogsteun

De meestal voorwaardelijke steun aan een kabinet van een partij die zelf geen deel uitmaakt van de regeringscoalitie en die zich ook niet gebonden acht aan het regeerakkoord. Gedoogsteun is vereist wanneer er geen gewoon meerderheidskabinet kan worden gevormd.

naar boven

Gemeente

De overheid bestaat in Nederland op drie niveaus: het Rijk, de provincie en de gemeente. Een gemeente is een zelfstandige bestuurseenheid op lokaal niveau. Dat is al zo sinds de Gemeentewet van 1851. Een gemeente krijgt meer dan 80 procent van haar inkomsten van het Rijk. Het bedrag is vooral afhankelijk van het aantal inwoners en de oppervlakte van een gemeente. Gemeenten mogen in heel beperkte mate ook zelf belastingen heffen (zoals de parkeerbelasting en de onroerendezaakbelasting). Zowel de begroting als de jaarrekening van een gemeente moet worden goedgekeurd door het college van Gedeputeerde Staten van de provincie. De gemeente heeft een groot aantal taken te verrichten, onder meer op de terreinen van ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer, sociale zaken, onderwijs, milieu, openbare orde, welzijn en cultuur. Om de bestuurskracht van gemeenten te vergroten, is in de afgelopen decennia een groot aantal kleine gemeenten samengevoegd in een proces van gemeentelijke herindelingen. Per 1 januari 2010 telde Nederland 431 gemeenten.

naar boven

Gemeentefonds

Het Gemeentefonds is een fonds van het Rijk waaruit de Nederlandse gemeenten subsidie ontvangen. Deze subsidies worden de algemene uitkeringen genoemd. Gemeenten kunnen zelf beslissen waaraan ze het geld uitgeven, natuurlijk binnen de grenzen van wet- en regelgeving. Naast de uitkeringen uit het Gemeentefonds, die in 2009 ongeveer 17 miljard euro bedroegen, krijgen gemeenten nog zogenoemde doeluitkeringen, die voor de uitvoering van door het Rijk omschreven taken zijn bedoeld.

naar boven

Gemeenteraad

Elke gemeente heeft een gemeenteraad, die om de vier jaar rechtstreeks door de inwoners van de gemeente wordt gekozen. Het aantal raadsleden is afhankelijk van het aantal inwoners van de gemeente (minimaal 9 en maximaal 45). De leden van de raad behoren doorgaans tot een politieke partij. Dan kan het gaan om een plaatselijke afdeling van een landelijke partij, maar ook om een lokale partij of groepering. De gemeenteraad stelt de grote lijnen vast voor het beleid van de gemeente en behoort zich niet met allerlei bestuurlijke details bezig te houden. Daarnaast controleert de raad of het college van burgemeester en wethouders zijn bestuurstaken goed uitvoert. Ten slotte treedt de raad op als vertegenwoordiger van de inwoners van de gemeente. De vergaderingen van de raad worden voorgezeten door de burgemeester , maar deze heeft in de raad geen stemrecht.

naar boven

Grondwet

De belangrijkste Nederlandse wet. In de Grondwet zijn onder meer de bevoegdheden van koning, regering en parlement geregeld. Ook zijn in de Grondwet de belangrijkste rechten en plichten van de burgers vastgelegd. In 1814, een jaar na het einde van de Franse bezetting, kreeg Nederland een eigen grondwet. In 1848 vond een zeer belangrijke grondwetsherziening plaats, toen de ministeriële verantwoordelijkheid werd ingevoerd en de koning buiten de politieke besluitvorming werd geplaatst. Pas in 1983 vond weer een algehele herziening van de grondwet plaats. Wijzigingen van de Grondwet moeten twee keer worden goedgekeurd, in zogeheten eerste en tweede lezing. De eerste lezing is volledig gelijk aan die van een normale wet. Beide Kamers moeten dus de voorgestelde grondwetswijziging goedkeuren. Vervolgens moeten er verkiezingen voor de Tweede Kamer plaatsvinden, waarna beide Kamers de wijziging met een tweederde meerderheid moeten goedkeuren. De eis van Kamerontbinding zou de kiezer in de gelegenheid moeten stellen zijn mening over de grondwetswijziging via zijn stem kenbaar te maken, maar omdat er met de behandeling van een grondwetswijziging in tweede lezing altijd wordt gewacht tot er reguliere verkiezingen zijn, is er van een kiezersuitspraak over de grondwetswijziging feitelijk geen sprake.

naar boven

Grootste partij

De partij die bij de verkiezingen als grootste uit de bus komt heeft bepaalde - ongeschreven - voorrechten. Zo krijgt de grootste partij het initiatief bij de kabinetsformatie. De (eerste) informateur is meestal een lid van de grootste partij en mag proberen met andere partijen een coalitie te sluiten. Als het de grootste partij inderdaad lukt een regering te vormen, levert die partij bovendien de minister-president. Ook wil het gebruik dat de voorzitter van de Tweede Kamer lid is van de grootste partij. Van deze laatste regel wordt echter regelmatig afgeweken. Een goed functionerende Kamervoorzitter mag na de verkiezingen meestal blijven, ook al is zijn partij niet langer de grootste.

naar boven

H

Handelingen

Woordelijke verslagen van de openbare beraadslagingen in Eerste en Tweede Kamer. Tegenwoordig zijn ze zowel in gedrukte als in digitale vorm beschikbaar.

naar boven

Hoge Colleges van Staat

Hoge Colleges van Staat zijn colleges die een grondwettelijk verankerde onafhankelijke positie hebben. Naast de Eerste en Tweede Kamer worden daartoe de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale Ombudsman en de Kanselarij der Nederlandse Orden gerekend. De Hoge Raad der Nederlanden is overigens geen Hoog College van Staat, omdat de Hoge Raad tot de rechtsprekende macht behoort.

naar boven

Hoge Raad der Nederlanden

De Hoge Raad is het hoogste rechtscollege binnen de gewone rechterlijke macht in Nederland. De belangrijkste taak van de Hoge Raad is de cassatierechtspraak op het gebied van het civiele recht, het strafrecht en het belastingrecht.De procedures voor de Hoge Raad worden in de regel schriftelijk gevoerd. Het doel van cassatierechtspraak is de rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming te verzekeren en te bevorderen. Cassatie verschilt wezenlijk van hoger beroep. In hoger beroep wordt een zaak geheel opnieuw beoordeeld en kan dus ook een geheel nieuw onderzoek naar de feiten plaatsvinden. In cassatie kunnen alleen rechtsvragen aan de orde komen.

naar boven

Hoge Vertegenwoordiger

De volledige naam van deze functionaris luidt: Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid. De Hoge Vertegenwoordiger moet het buitenlands beleid van de EU coördineren en de EU één gezicht geven aan de rest van de wereld. Het is een soort Europese minister van Buitenlandse Zaken. De Hoge Vertegenwoordiger werkt samen met de vaste voorzitter van de Raad (zie: President van Europa). Tevens is de Hoge Vertegenwoordiger vicevoorzitter van de Europese Commissie en voorzitter van de Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken. De functie is bestaat sinds 1 december 2009, toen het Verdrag van Lissabon van kracht werd.

naar boven

Hoofdelijke stemming

Stemming waarbij ieder afzonderlijk zich voor of tegen een voorstel moet uitspreken.

naar boven

Hoorzitting

Bijeenkomst van een bestuurslichaam of een vertegenwoordigend orgaan waarbij over bepaalde vraagstukken de opvattingen en verlangens worden gehoord van maatschappelijke groeperingen en burgers.

naar boven

I

Informateur

Een dag na de verkiezingen voor de Tweede Kamer ontvangt de koningin een aantal adviseurs en de nieuw gekozen fractievoorzitters. Op basis van de zo ingewonnen adviezen benoemt zij een informateur. Deze krijgt de opdracht te onderzoeken welke coalitie kan worden gevormd. De informateur moet zich strikt houden aan de hem verstrekte opdracht, al kan die opdracht zeer ruim zijn geformuleerd. Na afronding van zijn opdracht brengt de informateur verslag uit aan de koningin. Zij benoemt vervolgens een formateur of, wanneer het de informateur niet is gelukt een meerderheidscoalitie te vinden, opnieuw een informateur. Informateurs zijn in het algemeen politici die op enige afstand van het dagelijkse politieke strijdgewoel staan.

naar boven

Initiatiefrecht

Grondwettelijk recht van elk lid van de Tweede Kamer om zelf een wetsvoorstel in te dienen. Zo’n voorstel wordt door de indiener verdedigd en dus niet, zoals bij een gewoon wetsontwerp, door de betrokken minister. Het voorstel wordt pas wet als het is aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer en vervolgens is ondertekend door een minister. Van het initiatiefrecht wordt spaarzaam gebruik gemaakt.

naar boven

Interim-kabinet

Tussentijds, waarnemend kabinet. Dit neemt regeringsverantwoordelijkheid op zich wanneer bijvoorbeeld één partij de regeringscoalitie voortijdig heeft verlaten. Een interim-kabinet blijft dan aan tot de verkiezingen en past als het ware op de winkel. Zo’n tussentijds kabinet is vaak een minderheidskabinet .

naar boven

Interpellatierecht

Het recht van Eerste en Tweede Kamerleden om een minister of staatssecretaris voor een spoeddebat in de Kamer te ontbieden. Een Kamerlid dat een interpellatie wil houden, heeft daarvoor toestemming nodig van dertig Kamerleden.

naar boven

K

Kabinet

Een kabinet bestaat uit alle ministers en staatssecretarissen. In het politieke spraakgebruik worden de termen kabinet en regering dikwijls door elkaar gebruikt, hoewel er formeel gesproken een onderscheid bestaat: de regering wordt namelijk gevormd door het staatshoofd (de koningin) en de ministers tezamen. Staatshoofd en ministers worden ook aangeduid als de ‘ Kroon ’. Daarnaast wordt vaak gesproken over de ministerraad - dat is de vergadering van de ministers zonder de aanwezigheid van staatssecretarissen. Een kabinet draagt vrijwel altijd de naam van de premier: kabinet-Kok, kabinet-Balkenende enzovoort.

naar boven

Kabinetsformatie

Na verkiezingen voor de Tweede Kamer moet er een nieuw kabinet worden gevormd. In deze periode kan de koningin enige invloed uitoefenen op het politieke proces, omdat zij de informateur en de formateur benoemt (zij het na consultatie van verschillende adviseurs). Zolang informateur(s) en formateur bezig zijn om een coalitie tussen verschillende partijen te smeden, spreken we van een kabinetsformatie.

naar boven

Kamervoorzitter

De Kamervoorzitter leidt de werkzaamheden van de Eerste respectievelijk Tweede Kamer. De voorzitter wordt door de Kamer zelf uit haar midden gekozen. In Nederland is het niet gebruikelijk dat Kamerleden rechtstreeks tot elkaar of tot de regering spreken. Ze voeren het woord altijd via de voorzitter. Vandaar dat men in debatten of interpellaties regelmatig ‘mijnheer de voorzitter’ of ‘mevrouw de voorzitter’ hoort.

naar boven

Kandidatenlijst

Politieke partijen bepalen grotendeels zelf wie namens de partij in een vertegenwoordigend orgaan terechtkomt. Door het congres of de leden van een partij wordt daartoe een kandidatenlijst opgesteld, meestal op voordracht van het partijbestuur of een commissie. De procedure voor het indienen van kandidatenlijsten bij de verschillende stembureaus is ingewikkeld en niet voor alle partijen of verkiezingen hetzelfde. In de volgorde waarin de kandidaten op de lijst staan, komen ze vervolgens in een vertegenwoordigend orgaan terecht. De enige manier om als laag geplaatste kandidaat toch verkozen te worden is het verzamelen van voldoende voorkeurstemmen .

naar boven

Kiesdeler

Het aantal stemmen dat nodig is voor het behalen van een zetel heet de kiesdeler. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen is dat het aantal geldige stemmen gedeeld door het aantal te verdelen zetels, 150. Bij de verkiezingen van juni 2010 was de kiesdeler 62.773 stemmen (9.416.001 : 150). Bij verkiezingen zijn er vrijwel altijd partijen die de kiesdeler niet halen en dus ook geen zetel krijgen. Zetels worden verdeeld door het aantal stemmen op een partij door de kiesdeler te delen. Omdat daarna een aantal zetels overblijft is er ook een model voor verdeling van zogeheten restzetels .

naar boven

Kiesdistricten

Als een land bij verkiezingen wordt onderverdeeld in kiesdistricten en er per district een of meerdere zetels kunnen worden gewonnen, spreken we van een districtenstelsel . In stelsels van evenredige vertegenwoordiging bestaan soms kiesdistricten (zoals in België); in meerderheidsstelsels is natuurlijk altijd sprake van kiesdistricten. Nederland kent geen kiesdistricten.

naar boven

Kiesdrempel

Om een zetel in een vertegenwoordigend orgaan te verwerven, moet een partij een bepaald aantal stemmen (dat wordt uitgedrukt in een percentage van het totale aantal uitgebrachte stemmen) verwerven. In Nederland is de kiesdrempel gelijk aan de kiesdeler (in 2010: 0,67 procent). In veel landen is de kiesdrempel ‘kunstmatig’ verhoogd. In Duitsland bijvoorbeeld moet een partij ten minste vijf procent van de stemmen halen om zetels in het parlement te krijgen. Deze kiesdrempel is opgeworpen om te voorkomen dat veel kleine partijen in het parlement terechtkomen. Veel kleine partijen kunnen namelijk leiden tot versplintering van het parlement, waardoor het moeilijk kan worden om een regering te vormen. Hoewel er in Nederland ook wel eens stemmen opgaan om een hogere kiesdrempel in te voeren, is het verzet ertegen groot. Hoge kiesdrempels belemmeren immers (kleine) minderheden om hun politieke geluid te laten horen. In het gangbare spraakgebruik hebben we het alleen over een kiesdrempel indien deze hoger is dan de kiesdeler.

naar boven

Kieskringen

Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer is Nederland verdeeld in negentien kieskringen, die een provincie of een gedeelte daarvan beslaan. De kieskringen hebben een voornamelijk administratieve betekenis. Bij het bepalen van de verkiezingsuitslag worden alle stemmen uit de verschillende kieskringen op één politieke partij gewoon bij elkaar opgeteld. Kieskringen zijn dus wat anders dan kiesdistricten .

naar boven

Kiesraad

Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer treedt de Kiesraad op als centraal stembureau. In dit verband wordt een register van politieke groeperingen bijgehouden. Nieuwe landelijke politieke partijen dienen zich bij de Kiesraad te registreren alvorens ze kunnen deelnemen aan de verkiezingen. De Kiesraad is gevestigd in het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

naar boven

Kiesrecht

Zie actief kiesrecht en passief kiesrecht .

naar boven

Kieswet

In de Kieswet zijn alle formele en praktische zaken rondom verkiezingen geregeld; van het verzenden van stempassen door de gemeenten tot het tellen van de stemmen. De Kieswet wordt met enige regelmaat gewijzigd.

naar boven

Koning(in)

Het staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden. De koning(in) vormt samen met de ministers de regering (‘de Kroon ’), maar zij draagt geen politieke verantwoordelijkheid (de koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk). De traditie wil dat de koningin niet gaat stemmen. Zij behoort immers boven de partijen te staan. Tijdens de kabinetsformatie speelt de koningin enkele malen een centrale rol. De dag na de verkiezingen voor de Tweede Kamer ontvangt ze de voorzitters van beide Kamers, de vice-voorzitter van de Raad van State en alle nieuw gekozen fractievoorzitters (soms ook een minister van Staat ). Op basis van al deze adviezen geeft de koningin vervolgens een opdracht aan een informateur om de mogelijkheden te onderzoeken voor de vorming van een kabinet. Bij het opstellen van deze opdracht heeft het staatshoofd enige speelruimte. Later benoemt de koningin de formateur en uiteindelijk vindt ook de beëdiging van de ministers en staatssecretarissen door haar plaats. De beëdiging van de ministers wordt gevolgd door het bekende poseren op de trappen van Huis ten Bosch. Als grondwettelijk deel van de regering heeft ze wekelijks overleg met de premier en regelmatig ook met de andere bewindslieden.

naar boven

Koninklijk Besluit

Een KB is een besluit dat buiten de Staten-Generaal om wordt genomen. Het wordt ondertekend door het staatshoofd en de betrokken bewindspersoon. Zo worden burgemeesters benoemd bij KB. Indien het KB algemeen bindende regels betreft, dan is sprake van een Algemene Maatregel van Bestuur .

naar boven

Kroon

Staatshoofd en ministers tezamen, ook wel regering genoemd. De koningin is evenwel onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.

naar boven

L

Leeftijd

In 1971 is de stemgerechtigde leeftijd verlaagd naar achttien jaar. Tot 1971 mocht pas vanaf de 21ste verjaardag worden gestemd, voor 1965 was de leeftijdsgrens 23 jaar. Pas in 1983 werd ook de leeftijd waarop iemand gekozen kon worden naar achttien jaar verlaagd.

naar boven

Lijstduwer

Een lijstduwer is iemand die als stemmentrekker onderaan de kandidatenlijst van een partij staat. Het is niet de bedoeling dat een lijstduwer wordt gekozen, maar het gebeurt natuurlijk wel eens. Het zijn vooral bekende Nederlanders en oud-politici die deze functie vervullen. Niet alle partijen en lijsten kennen dit verschijnsel en officieel bestaat de lijstduwer zelfs niet. Bovenaan de kandidatenlijst staat de lijsttrekker .

naar boven

Lijstkiesdeler

Het aantal stemmen uitgebracht op een partij gedeeld door het aantal behaalde zetels levert de lijstkiesdeler op. Slechts enkele kandidaten halen overigens persoonlijk meer stemmen dan de lijstkiesdeler. Anderen worden verkozen door overheveling van het overschot aan stemmen dat de lijsttrekker doorgaans haalt naar lager geplaatste kandidaten. Wie te laag op de lijst staat om op deze manier gekozen te worden, heeft nog wel de mogelijkheid op voorkeurstemmen te worden gekozen.

naar boven

Lijstnummer

Het is met name de uitslag van de laatste verkiezingen die de volgorde van de lijstnummers bepaalt. De grootste partij krijgt lijstnummer 1. Aan partijen die nog niet in de Tweede Kamer zaten en in alle 19 kieskringen meedoen, wordt bij loting een nummer toegekend. Daarna komen de partijen die in een beperkt aantal kieskringen meedoen. Het lijstnummer bepaalt waar de kandidatenlijst van een partij op het stembiljet terechtkomt. Lijst 1 staat aan de linkerkant. De lijstnummers worden vaak gebruikt op verkiezingsaffiches.

naar boven

Lijsttrekker

De nummer één op de kandidatenlijst treedt in de verkiezingscampagne op als politiek leider en belangrijkste woordvoerder van de partij. Wat de lijsttrekker na de verkiezingen gaat doen staat bepaald niet vast. Na parlementsverkiezingen wordt de lijsttrekker in eerste instantie Kamerlid en zal vermoedelijk tot fractievoorzitter worden gekozen. Van partijen die tot de regering toetreden worden veel lijsttrekkers minister-president of vice-minister-president. Ook kan de verkiezingsuitslag aanleiding zijn voor het vertrek van een juist gekozen leider.

naar boven

Lijsttrekkersdebat

Kort voor Tweede Kamerverkiezingen verschijnen de lijsttrekkers van de grote partijen op televisie voor één of meer debatten. Wie daarbij mogen aanschuiven is altijd een punt van discussie vooraf. Waar ligt immers de grens tussen grote en kleine partijen? Op de grens van groot en klein zitten doorgaans partijen die rond de tien zetels in de Kamer hebben.

naar boven

Lijstverbinding

De Kieswet biedt kleine partijen de mogelijkheid hun kansen op een restzetel te vergroten door een lijstverbinding aan te gaan. Bij de verdeling van de restzetels worden de partijen die onderling hun lijsten hebben verbonden als één partij beschouwd. Samen zijn de partijen zo in staat meer restzetels binnen te halen dan zonder lijstverbinding. Wie van de deelnemende partijen binnen de lijstverbinding de extra restzetel(s) krijgt is afhankelijk van de uitslag. Van de regeling wordt gebruik gemaakt door partijen die zich min of meer verwant met elkaar voelen. Bij de verkiezingen van 2010 hadden de PvdA en GroenLinks een lijstverbinding.

naar boven

M

Mandaat

Opdracht of bevoegdheid om namens en onder verantwoordelijkheid van een ander zaken af te handelen. Gekozen vertegenwoordigers hebben ook een mandaat, namelijk van de kiezer.

naar boven

Meerderheidskabinet

Kabinet dat kan rekenen op de steun van een meerderheid in de Tweede Kamer. Omdat de Tweede Kamer 150 zetels telt, dient een meerderheidskabinet de steun te genieten van ten minste 76 volksvertegenwoordigers. In Nederland worden vrijwel altijd meerderheidskabinetten gevormd.

naar boven

Meerderheidsstelsel

In een meerderheidsstelsel is een land verdeeld in een aantal kiesdistricten. Het meerderheidsstelsel kent zeer uiteenlopende varianten. In landen als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten gaat de zetel van een district naar de kandidaat die er de meeste stemmen haalt. Naarmate er meer kandidaten zijn, zijn er minder stemmen nodig om een zetel te veroveren. Immers, het aantal stemmen in een district wordt dan over een groot aantal kandidaten verdeeld. Zo kan een kandidaat met een minderheid van stemmen toch worden gekozen. Dat bezwaar wordt ondervangen door het Franse systeem, waar de verkiezingen indien nodig in twee ronden plaatsvinden. Heeft geen van de kandidaten in de eerste ronde een absolute meerderheid (meer dan 50 procent van de stemmen) gehaald, dan volgt een tweede ronde tussen de kandidaten die de meeste stemmen verzamelden. Andere varianten van het meerderheidsstelsel kennen zogeheten meervoudige districten, waarbinnen meerdere kandidaten worden gekozen. Een meerderheidsstelsel wordt vaak een districtenstelsel genoemd, maar dat is niet correct, omdat ook veel evenredigheidsstelsels kiesdistricten hebben.

naar boven

Memorie van antwoord

Schriftelijke beantwoording door de betrokken minister of staatssecretaris van eerder gestelde schriftelijke vragen over een wetsvoorstel.

naar boven

Memorie van toelichting

Uitvoerige schriftelijke toelichting bij een wetsvoorstel, die allebei door (de ambtenaren van) een minister of staatssecretaris worden opgesteld. De toelichting bestaat meestal uit een algemeen gedeelte en een nadere, artikelsgewijze toelichting. Wetsvoorstel en toelichting worden in de ministerraad besproken, waarna ze voor advies naar de Raad van State gaan. Vervolgens worden de stukken naar de koningin gestuurd en aan de Tweede Kamer aangeboden.

naar boven

Miljoenennota

Toelichting van de minister van Financiën op de rijksbegroting voor het komende kalenderjaar. De nota geeft antwoord op vragen als: worden de belastingen en de uitkeringen verhoogd of verlaagd? Gaan we meer of minder geld uitgeven aan grote infrastructurele projecten? De miljoenennota verschijnt ieder jaar op de derde dinsdag in september ( Prinsjesdag ).

naar boven

Minderheidskabinet

Kabinet dat slechts kan rekenen op de steun van een minderheid in het parlement. Een minderheidskabinet wordt pas gevormd als de formatie van een meerderheidskabinet niet is gelukt omdat sommige partijen in het parlement niet met elkaar willen samenwerken om een meerderheidskabinet te vormen. Minderheidskabinetten zijn in Nederland niet gebruikelijk.

naar boven

Minister van Staat

Eretitel voor personen die zich op staatkundig of politiek terrein bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt. De minister van Staat maakt geen deel uit van de ministerraad en wordt op voordracht van de ministerraad door de koningin benoemd. Soms wordt een minister van Staat door de koningin geraadpleegd bij een kabinetsformatie. Nederland telt thans zeven ministers van Staat.

naar boven

Minister zonder portefeuille

Bewindspersoon die niet tevens is belast met de dagelijkse leiding van een departement. Het opnemen van een minister zonder portefeuille in een kabinet gebeurt soms om een bepaald politiek evenwicht tussen partijen in het kabinet te bereiken en/of om extra aandacht te schenken aan een voor de regering belangrijk beleidsterrein, bijvoorbeeld Ontwikkelingssamenwerking. Daardoor kan het aantal ministers zonder portefeuille bij elke kabinetsformatie wijzigen. Een en ander komt ook tot uitdrukking in de naamgeving: het is minister van Defensie, maar minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Tegenwoordig wordt een minister zonder portefeuille ook wel programmaminister genoemd.

naar boven

Minister-president

De minister-president - ook wel premier genoemd - is de voorzitter van de ministerraad. Meestal is de premier lid van de grootste regeringsfractie en politiek leider van zijn partij. De minister-president beheert een eigen departement: het ministerie van Algemene Zaken. De premier onderhoudt tevens de wekelijkse contacten met het staatshoofd. De naam van de minister-president wordt altijd verbonden aan de naam van het kabinet. We hebben nu het kabinet-Balkenende IV. De IV geeft in dit geval aan dat het hier om het vierde kabinet-Balkenende gaat.

naar boven

Ministeriële verantwoordelijkheid

De ministeriële verantwoordelijkheid is in 1848 in de Grondwet verankerd. Zij houdt twee dingen in, die nauw met elkaar samenhangen. Ten eerste zijn de ministers aansprakelijk voor daden van het staatshoofd. Volgens de grondwet is de koning namelijk ‘onschendbaar’: ieder optreden van het staatshoofd wordt gedekt door de verantwoordelijkheid van de betrokken ministers. Ten tweede houdt de ministeriële verantwoordelijkheid in dat de ministers en staatssecretarissen geen verantwoording afleggen tegenover het staatshoofd, maar tegenover de Staten-Generaal .

naar boven

Ministerraad

Alle ministers tezamen. De ministerraad vergadert elke vrijdag. Daarna geeft de minister-president een persconferentie. Vergaderingen van de ministerraad worden niet bijgewoond door de staatssecretarissen, maar zij kunnen wel worden uitgenodigd. Een uitzondering vormt de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (belast met Europese Zaken), die uit hoofde van zijn functie de vergaderingen van de ministerraad wel bijwoont. Staatssecretarissen hebben geen stemrecht in de ministerraad.

naar boven

Monisme

Situatie waarin het kabinet en de regeringsfracties nauw met elkaar samenwerken en de verschillende coalitiepartijen vrijwel geen kritiek leveren op de eigen bewindslieden. Er is dus geen sprake van een zeker machtsevenwicht, zoals bij dualisme wel het geval is.

naar boven

Motie van wantrouwen

Uitspraak van een vertegenwoordigend lichaam (op nationaal, provinciaal of gemeentelijk niveau) waarin het vertrouwen in het gevoerde beleid wordt opgezegd. Aanvaarding van een motie van wantrouwen leidt meestal tot het aftreden van het orgaan of de persoon tegen wiens beleid de motie is gericht. In Nederland is het niet gebruikelijk om moties van wantrouwen tegen een kabinet of een minister in te dienen, maar in andere landen gebeurt dat regelmatig.

naar boven

Motierecht

Recht van Eerste en Tweede Kamer om moties in te dienen. In een motie spreekt de Kamer een oordeel uit over een bepaald aspect van het regeringsbeleid en doet zij een verzoek aan de regering. Een bewindspersoon hoeft een motie niet uit te voeren.

naar boven

N

Nationaal kabinet

Een kabinet dat is samengesteld uit ministers van alle grote politieke partijen. Een nationaal kabinet zal slechts in uitzonderlijke crisissituaties tot stand komen.

naar boven

Nationaal Kiezers Onderzoek

Voor en na de verkiezingen wordt in opdracht van de rijksoverheid onderzoek gedaan naar het stemgedrag van kiezers. Alle verzamelde gegevens maken deel uit van het Nationaal Kiezers Onderzoek (NKO), dat enige tijd na de verkiezingen wordt gepubliceerd. Het is de belangrijkste bron van gegevens over verschillen in stemgedrag naar factoren als leeftijd, opleiding en geslacht.

naar boven

Nieuwe partijen

Aan verkiezingen voor vertegenwoordigende organen wordt vrijwel altijd ook deelgenomen door een aantal nieuwe partijen en al langer bestaande partijen die nog niet in het betreffende orgaan zitten. Om deel te nemen aan de verkiezingen moeten dergelijke partijen een waarborgsom storten: 11.250 euro bij verkiezingen voor Tweede Kamer en Europees Parlement, 1250 euro bij verkiezingen voor Provinciale Staten en 225 euro bij gemeenteraadsverkiezingen. De waarborgsom wordt terugbetaald als de partij ten minste 75% van de kiesdeler heeft gehaald. Ook moeten de kandidatenlijsten van een partij in alle kieskringen waarin zij aan de verkiezingen meedoet met handtekeningen worden ondersteund: bij verkiezingen voor Tweede Kamer, Europees Parlement, Provinciale Staten door dertig kiezers. Voor gemeenteraadsverkiezingen is het aantal handtekeningen afhankelijk van de omvang van de raad: dertig bij meer dan 39 leden, twintig bij meer dan 19 leden en tien bij minder dan 19 leden. Bedoeling van de regelingen is dat alleen serieuze partijen aan de verkiezingen meedoen.

naar boven

O

naar boven

Ongeldige stem

Een stem is ongeldig als er op het stembiljet met het rode potlood is gekrast of als er verschillende rondjes voor kandidaten zijn ingevuld.

naar boven

Onverkiesbaar

Laag op de lijst geplaatste kandidaten heten vaak ‘onverkiesbaar’ te zijn. Partijen maken een inschatting van het aantal zetels dat gehaald gaat worden. Ongeveer dat aantal plaatsen op de lijst krijgt het predikaat ‘verkiesbare plaats’. Uiteraard kan het aantal zetels hoger uitvallen. Ook kunnen laag geplaatste kandidaten via voorkeurstemmen worden verkozen. Echt onverkiesbaar zijn de onverkiesbaren dan ook niet, hooguit ‘kansarm’, om het in politiek jargon uit te drukken.

naar boven

Opiniepeilingen

Neem een representatieve steekproef van ongeveer duizend mensen, vraag ze wat ze denken te gaan stemmen bij de komende verkiezingen en je hebt nieuws. In de maanden voorafgaand aan verkiezingen worden ten minste één keer per week de opinies gepeild. Kranten en televisie houden nauwkeurig bij of de aanhang van partijen groeit of afneemt en verklaren waarom dat gebeurt.

naar boven

Opkomst

Het aantal personen dat bij verkiezingen opkomt om te stemmen. De opkomst wordt uitgedrukt in percentages van het aantal kiesgerechtigden. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2010 bedroeg de opkomst 75,40%. Die voor de verkiezingen van Provinciale Staten, in 2007, was beduidend lager: 46,3%. Bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009 bracht slechts 36,8% zijn stem uit. Van een duidelijke trend in de richting van toename of afname van de opkomst is geen sprake. Wel weten landelijke verkiezingen veel meer mensen naar de stembus te trekken dan provinciale of Europese verkiezingen.

naar boven

Opkomstplicht

Bij de Kamerverkiezingen gold in 1967 voor de laatste keer de opkomstplicht. Deze is in 1970 in Nederland afgeschaft. Bij de eerste vrijwillige Kamerverkiezingen, in 1971, liet 20,9% van de kiezers verstek gaan. In België bestaat nog steeds opkomstplicht.

naar boven

Oppositie

De partijen in de Tweede Kamer die zich verzetten tegen het regeringsbeleid vormen tezamen de oppositie. Soms blijken partijen erg veel moeite te hebben om over te schakelen van de coalitie naar de oppositie. In de jaren 1994-2002 was het CDA de grootste oppositiepartij, van medio 2002 tot voorjaar 2007 de PvdA. Er zijn natuurlijk ook partijen die nog nooit in de regering hebben gezeten, zoals GroenLinks, de SP en de SGP, en daardoor permanent deel uitmaken van de oppositie. Bij specifieke onderwerpen kunnen oppositiepartijen natuurlijk gewoon met de coalitiepartijen meestemmen.

naar boven

Oppositieleider

De leider van de oppositie, meestal de fractievoorzitter van de belangrijkste oppositiepartij.

naar boven

Oproepingskaart

De oproep om te gaan stemmen wordt door de gemeente ten minste twee weken voor de verkiezingen verspreid. Gegevens daarvoor worden ontleend aan de Gemeentelijke Basisadministratie. Vanaf een maand voor de verkiezingen kunnen mensen die menen kiesgerechtigd te zijn bij de gemeente navragen of ze ook werkelijk als kiezer in de administratie zijn opgenomen. Tot 2010 maakten gemeenten gebruik van een oproepingskaart of een stempas. Op de oproepingskaart stond vermeld in welk stembureau de kiezer zijn stem kon uitbrengen. Vanaf 2010 krijgen alle kiesgerechtigden een stempas, waarmee ze op elk stembureau in de gemeente terecht kunnen. De kiezer moet zich wel legitimeren.

naar boven

P

Parlementair kabinet

Kabinet dat het vertrouwen van een meerderheid in het parlement geniet. Zie ook meerderheidskabinet .

naar boven

Partij

Vereniging van burgers die bepaalde uitgangspunten en opvattingen ten aanzien van de inrichting van de maatschappij delen en die kandidaten stelt voor vertegenwoordigende lichamen. De eerste politieke partij was de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), opgericht in 1879, later opgegaan in het CDA. Wettelijk is er niet veel geregeld rond politieke partijen. Wel bepaalt de Kieswet (die overigens spreekt van ‘politieke groeperingen’) dat een partij een vereniging moet zijn die bij notariële akte is opgericht. De officiële taak van politieke partijen is uitsluitend het stellen van kandidaten voor verkiezingen. In het verlengde daarvan stellen de meeste partijen uiteraard een verkiezingsprogramma op en organiseren ze allerlei activiteiten voor hun leden en in het kader van de verkiezingscampagne. Daartoe zijn partijen dus weliswaar niet verplicht, maar voor het behalen van stemmen is het wel verstandig het te doen.

naar boven

Partijcongres

Het beleid van de meeste partijen wordt bepaald door een partijcongres. Zo’n congres stelt bijvoorbeeld de kandidatenlijst op, keurt het verkiezingsprogramma goed en benoemt een partijbestuur. Per partij verschilt de samenstelling van het partijcongres sterk. In sommige partijen hebben alle leden tijdens het congres het recht te spreken en te stemmen (one man, one vote), andere partijen kennen een congres van afgevaardigden. Die afgevaardigden worden vaak benoemd door plaatselijke of regionale partijafdelingen.

naar boven

Passief kiesrecht

Het recht om gekozen te worden in een bepaalde vertegenwoordigende functie. In het algemeen kan gesteld worden dat het passief kiesrecht geldt voor die mensen die ook actief kiesrecht hebben.

naar boven

Polarisatiestrategie

Strategie gericht op verscherping van de tegenstellingen in de politiek of in de maatschappij. De Partij van de Arbeid (PvdA) voerde in de jaren zeventig een polarisatiestrategie om zich als partij duidelijk te profileren ten opzichte van andere partijen. De polarisatiestrategie was vooral gericht tegen de confessionele partijen, die zich in het midden van het politieke spectrum begaven.

naar boven

Politiek leider

De belangrijkste politicus van een partij. De politiek leider bepaalt meestal het gezicht van een partij. De politiek leider van een regeringspartij behoeft niet per se premier of minister te zijn; ook de fractievoorzitter kan politiek leider zijn. Bij oppositiepartijen is de fractievoorzitter doorgaans politiek leider.

naar boven

President van Europa

Dit is een nieuwe functie die door het Verdrag van Lissabon in het leven is geroepen. De officiële benaming is ‘Vaste voorzitter van de Europese Raad’. Samen met de voorzitter van de Europese Commissie zorgt hij voor de voorbereiding en de continuïteit van de werkzaamheden van de Raad. Na elke bijeenkomst doet hij verslag aan het Europees Parlement. Ook is hij verantwoordelijk voor het onderhouden van contacten met regeringsleiders en staatshoofden. De voorzitter wordt voor een periode van tweeënhalf jaar gekozen en mag eenmaal worden herkozen. De eerste vaste voorzitter van de Europese Raad werd op 1 december 2009 benoemd.

naar boven

Prinsjesdag

De derde dinsdag in september. Op die dag rijdt de koningin (het staatshoofd) in de gouden koets naar de Ridderzaal aan het Binnenhof te Den Haag. Daar geeft zij in een verenigde vergadering van beide Kamers der Staten-Generaal een uiteenzetting over het te voeren beleid: de troonrede . Op dezelfde dag dient de minister van Financiën bij de Tweede Kamer de rijksbegroting voor het volgende jaar en de miljoenennota in.

naar boven

Programpartij

Anders dan een beginselpartij richt een programpartij zich alleen op het geldende verkiezingsprogramma.

naar boven

Proteststemmen

Kiezers die ontevreden zijn over de gevestigde partijen stemmen soms om die reden op een partij die zich sterk afzet tegen de bestaande politieke en maatschappelijke verhoudingen. Vaak zijn dat partijen die geheel ter linker- of ter rechterzijde van het politieke spectrum opereren. In 2002 wist de nieuwe Lijst Pim Fortuyn (LPF) veel proteststemmen te vergaren. De partij kwam met 26 zetels in de Tweede Kamer.

naar boven

Provinciale Staten

Nederland telt twaalf provincies en elke provincie heeft een eigen vertegenwoordigend orgaan: de Provinciale Staten. Dit provinciale parlement wordt eens in de vier jaar door de inwoners van de provincie gekozen. Naast de landelijke partijen doen soms ook speciale, aan de provincie gebonden groeperingen aan die verkiezingen mee. Het aantal leden van de Provinciale Staten is afhankelijk van het aantal inwoners per provincie: de kleinste provincies hebben 39 Statenleden en de grootste provincies hebben er 55. Het bestuur van de provincie is in handen van het college van Gedeputeerde Staten (GS). Provinciale Staten stellen de hoofdlijnen van het beleid vast en moeten Gedeputeerde Staten controleren. De vergaderingen van de Provinciale Staten worden voorgezeten door de commissaris van de koningin , maar deze heeft hierin geen stemrecht.

naar boven

Q

Quorum

Minimum aantal leden dat aanwezig moet zijn om in een vergadering besluiten te kunnen nemen.

naar boven

R

naar boven

Raad van de Europese Unie

De Raad van de Europese Unie wordt ook wel de Raad van Ministers of ‘de Raad’ genoemd. De Raad bestaat uit de vakministers van alle lidstaten van de EU, bijvoorbeeld op het gebied van financiën of verkeer en vervoer. De vergaderingen worden geleid door het land dat op dat moment voorzitter is van de EU. Dit voorzitterschap is altijd voor een half jaar. In de Raad gelden de stemmen van de ministers van de lidstaten met de meeste inwoners het zwaarst. De Raad kan, samen met het Europees Parlement, wetten van de Commissie goed- of afkeuren en beslist over de begroting. Nationale regeringen kunnen via deze Raad invloed uitoefenen op het Europese beleid.

Raad van State

De Raad van State is het adviesorgaan van de regering inzake wetgeving. De Raad heeft een afdeling voor geschillen van bestuur en kent verder een afdeling rechtspraak. Het staatshoofd is formeel voorzitter, maar de vice-voorzitter leidt de vergaderingen en werkzaamheden van de Raad. De Raad van State is een van de Hoge Colleges van Staat.

naar boven

Referendum

In veel landen bestaat de mogelijkheid om over bepaalde belangrijke onderwerpen een volksraadpleging te houden, een referendum. Een referendum kan verschillende vormen aannemen: het kan bijvoorbeeld bindend of niet-bindend zijn. Het initiatief kan van de regering of van het parlement uitgaan, maar het onderwerp van het referendum kan ook door de burgers zelf worden aangedragen. In dat laatste geval spreken we van een volksinitiatief . Invoering van het referendum in Nederland vormt al jaren een splijtzwam tussen een aantal politieke partijen. Momenteel kunnen alleen in gemeenten en provincies referenda worden gehouden op grond van gemeentelijke of provinciale referendumverordeningen. Op 1 juni 2005 vond een landelijk referendum plaats over het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa. Hiervoor moest de Tweede Kamer wel een speciale referendumwet aannemen. In Nederland zijn referenda niet bindend, want daarvoor zou een grondwetswijziging nodig zijn, maar politieke partijen kunnen de uitslag wel overnemen. De referenda zijn een vorm van directe democratie .

naar boven

Regeerakkoord

Bij de vorming van een regeringscoalitie tijdens de kabinetsformatie worden de door de samenwerkende partijen gemaakte afspraken vastgelegd in een regeerakkoord. Een dergelijk akkoord is nodig om de verschillen tussen de verkiezingsprogramma's van de partijen te overbruggen. In de jaren tachtig en negentig werden de afspraken dikwijls tot in het kleinste detail vastgelegd; bij de kabinetsformaties van 2002 en 2003 ging het vooral om de hoofdlijnen van het beleid. Het regeerakkoord van 2007 was weer omvangrijker.

naar boven

Regering

Formeel gesproken wordt de regering gevormd door het staatshoofd en de ministers tezamen. We noemen dit ook wel ‘de Kroon ’. Zie ook kabinet en ministerraad .

naar boven

Regeringsverklaring

De regeringsverklaring is de rede die de minister-president in de Tweede Kamer houdt na de vorming van een nieuwe regering, waarin hij verantwoording aflegt over de kabinetsformatie en een toelichting geeft op het regeerakkoord van het nieuwe kabinet. Het gehele kabinet is hierbij aanwezig.

naar boven

Representatieve democratie

In een representatieve democratie vindt de besluitvorming plaats via gekozen volksvertegenwoordigers. Op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau bestaan daartoe vertegenwoordigende organen, waarvan de leden rechtstreeks worden gekozen. Alle democratieën zijn representatieve of indirecte democratieën. In veel landen wordt het stelsel van representatieve democratie echter aangevuld of gecombineerd met vormen van directe democratie , zoals het referendum .

naar boven

Restzetels

Bij vaststelling van de verkiezingsuitslag wordt het stemmenaantal van alle partijen gedeeld door de kiesdeler. Dat levert de partijen een bepaald aantal zetels op, voor het aantal keren dat ze de kiesdeler hebben gehaald. Omdat nooit alle partijen een exact aantal malen de kiesdeler hebben gehaald, blijven er in eerste instantie zetels over, de zogeheten restzetels. Die worden verdeeld volgens het systeem van de ‘grootste gemiddelden’. Van alle partijen wordt berekend hoeveel stemmen ze gemiddeld per zetel zouden hebben als ze één zetel meer zouden krijgen. De restzetels worden vervolgens toegekend aan partijen met het hoogste gemiddelde (zie ook ' de zetelverdeling ' onder het thema Verkiezingen, dossier Spelregels). Bedoeling van dit systeem is dat uiteindelijk het gemiddeld aantal kiezers per Kamerzetel zo hoog mogelijk ligt. Kleine partijen hebben daardoor minder kans op restzetels; een probleem dat gedeeltelijk ondervangen kan worden door het aangaan van een lijstverbinding . In kleine gemeenten wordt gebruik gemaakt van het systeem van de grootste overschotten.

naar boven

Rijksbegroting

De Rijksbegroting is de door de regering opgestelde begroting voor het volgende kalenderjaar. Zij wordt tezamen met de miljoenennota op Prinsjesdag gepresenteerd, waarna zij in de Tweede Kamer per ministerie wordt behandeld.

naar boven

S

naar boven

Schengen

Het Verdrag van Schengen regelt het vrije verkeer tussen de deelnemende EU-landen. Er zijn geen controles meer bij de grenzen van deze landen. Het verdrag stamt uit 1985, toen het werd getekend door Duitsland, Frankrijk en de Benelux-landen. Inmiddels doen bijna alle lidstaten mee, behalve het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Ook doen er niet-EU-landen mee, zoals Noorwegen, IJsland en Zwitserland. Om de veiligheid te waarborgen is er een systeem ontwikkeld om gegevens van personen en gezochte voorwerpen uit te kunnen wisselen, dit heet het Schengen Informatie Systeem (SIS).

Staatsblad

Het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden is de officiële uitgave van de staat, waarin wetten, Algemene Maatregelen van Bestuur en Koninklijke Besluiten worden bekendgemaakt.

naar boven

Staatscourant

De Staatscourant is het officiële dagblad van het Koninkrijk der Nederlanden, waarin allerlei overheidsmededelingen worden gepubliceerd.

naar boven

Staatssecretaris

Een soort onderminister, die verantwoordelijk is voor een deel van de werkzaamheden van een ministerie. Een staatssecretaris is geen lid van de ministerraad , maar kan wel worden uitgenodigd om aan het beraad deel te nemen. Alleen de staatssecretaris van Europese Zaken neemt gewoonlijk deel aan de vergaderingen van de ministerraad. Bij een conflict met de Tweede Kamer kan een staatssecretaris aftreden zonder dat dit gevolgen heeft voor zijn minister. Als een minister aftreedt, dient ook een staatssecretaris formeel zijn ontslag in. Deze kan daarna wel worden herbenoemd.

naar boven

Staten-Generaal

Eerste en Tweede Kamer samen heten officieel de Staten-Generaal. Na de invoering van de constitutionele monarchie in 1814 vormden de Staten-Generaal (sinds 1464 een overlegorgaan van de gewestelijke staten) nog geen volksvertegenwoordiging, maar een vertegenwoordiging van de gewesten en van de standen. In de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw ontwikkelde de Staten-Generaal zich tot een volksvertegenwoordiging. Nu wordt de Eerste Kamer door de provinciale afgevaardigden en de Tweede Kamer rechtstreeks door de bevolking gekozen.

naar boven

Statuut

Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden regelt de staatkundige verhouding tussen de drie landen van het Koninkrijk, te weten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. De Nederlandse Grondwet en de Staatsregelingen van de Nederlandse Antillen en Aruba zijn aan het Statuut ondergeschikt. In het Statuut zijn de onderwerpen van wetgeving en bestuur aangegeven die op het niveau van het Koninkrijk worden behartigd. Dat noemen we de Koninkrijksaangelegenheden. Alle andere onderwerpen zijn landsaangelegenheden. Het Statuut kan alleen met instemming van de drie landen worden gewijzigd.

naar boven

Stembiljet

Het formulier waarop een stem moet worden uitgebracht. Dat moet geschieden met het bijbehorende rode potlood. Op het stembiljet staan alle kandidaten van de partijen vermeld die aan de verkiezingen meedoen.

naar boven

Stembureau

Scholen, buurthuizen en andere (semi-)overheidsgebouwen doen bij de verkiezingen dienst als stembureau. In elk stembureau zorgen drie personen voor de goede gang van zaken. Zij houden bij wie heeft gestemd en zien toe op een eerlijk verloop. In of in de omgeving van stembureaus is het maken van reclame voor een politieke partij strikt verboden. De stembureaus zijn van 7.30 tot 21.00 uur geopend.

naar boven

Stembus

Het stembiljet moet worden gedeponeerd in een stembus. De 'gang naar de stembus’ wordt vaak gebruikt als synoniem voor (het deelnemen aan) verkiezingen.

naar boven

Stemdistrict

Gemeenten worden bij verkiezingen verdeeld in stemdistricten, ieder met een eigen stembureau .

naar boven

Stemmachine

Officieel omschreven als ‘elektronische stemmachine’. Tijdwinst is er vooral bij het tellen van de stemmen. De stemmachine was de afgelopen jaren in vrijwel alle gemeenten in gebruik genomen, maar wegens gebreken in de veiligheid zal vooralsnog weer uitsluitend met het rode potlood worden gestemd.

naar boven

Stempas

De oproep om te gaan stemmen. Deze wordt door de gemeente ten minste twee weken voor de verkiezingen verspreid. Gegevens daarvoor worden ontleend aan de Gemeentelijke Basisadministratie. Vanaf een maand voor de verkiezingen kunnen mensen die menen kiesgerechtigd te zijn bij de gemeente navragen of ze ook werkelijk als kiezer in de administratie zijn opgenomen. Tot 2010 maakten gemeenten gebruik van een oproepingskaart of een stempas. Op de oproepingskaart stond vermeld in welk stembureau de kiezer zijn stem kon uitbrengen. Vanaf 2010 krijgen alle kiesgerechtigden een stempas, waarmee ze op elk stembureau in de gemeente terecht kunnen. De kiezer moet zich wel legitimeren.

naar boven

T

Trias politica

De scheiding der machten in een staat in de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Het belang van de scheiding der machten is geformuleerd door de Franse baron De Montesquieu (1689-1755). Tegenwoordig is van een strikte scheiding der machten geen sprake meer. Zo zijn zowel parlement (wetgevende macht) als regering (uitvoerende macht) gezamenlijk verantwoordelijk voor wetgeving.

naar boven

Troonrede

Toespraak van de koningin op Prinsjesdag . Zij houdt deze toespraak in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De troonrede bevat een uiteenzetting van het te voeren regeringsbeleid en is dan ook door de regering geschreven.

naar boven

Tweede Kamer

Een van de Kamers der Staten-Generaal. De Tweede Kamer maakt samen met de regering wetten en controleert de regering. De 150 leden worden voor vier jaar rechtstreeks door de bevolking gekozen. De Tweede Kamer heeft een aantal rechten, te weten het goedkeuringsrecht, het amendementsrecht , het begrotingsrecht , het enquêterecht , het initiatiefrecht , het interpellatierecht en het motierecht . Aanvankelijk, sinds de grondwet van 1815, werden de leden van de Tweede Kamer door de Provinciale Staten (= indirect) gekozen. De grondwet van 1848 bepaalde dat de Tweede Kamer voortaan direct werd gekozen, en wel op basis van een districtenstelsel en het censuskiesrecht . Bij de grondwetsherziening van 1887 is het aantal leden van de Tweede Kamer op 100 gesteld (daarvoor varieerde het aantal leden). In 1917, met de invoering van het algemeen kiesrecht , is het districtenstelsel vervangen door het systeem van evenredige vertegenwoordiging . In 1956 is het aantal leden uitgebreid tot 150. De Kamer kiest uit haar midden een voorzitter. In de Tweede Kamer zijn momenteel (2010) tien politieke groeperingen vertegenwoordigd. Zie ook Eerste Kamer .

naar boven

V

Verkiesbaar

Van kandidaten wordt wel gezegd dat ze wel of niet verkiesbaar zijn. Officieel bestaat dit onderscheid uiteraard niet. Alle kandidaten op lijsten van partijen zijn verkiesbaar. Wel is het zo dat kandidaten hoger op de lijst meer kans maken verkozen te worden. Doorgaans wordt op basis van het verwachte aantal zetels van een partij een aantal kandidaten als ‘verkiesbaar’ omschreven. Lager geplaatste kandidaten kunnen alleen op basis van voorkeurstemmen worden gekozen.

naar boven

Verkiezingscampagne

De periode voorafgaand aan de verkiezingen wordt wel aangeduid als de verkiezingscampagne. De datum waarop partijen starten met hun campagne wisselt per partij. Vaak markeert een grote bijeenkomst van een partij de campagnestart. Tijdens de campagne gaan partijleden de straat op met folders, treden politici door het hele land op met spreekbeurten en is er veel aandacht voor politiek in de media. Maar al maanden voor de verkiezingen beginnen politici in hun optreden rekening te houden met het naderen van de verkiezingen. Vaak valt dan ook maanden voor de verkiezingen te horen dat de campagne is begonnen.

naar boven

Verkiezingsprogramma

Vrijwel alle partijen stellen voorafgaand aan verkiezingen een verkiezingsprogramma op. Doorgaans zijn het vrij uitvoerige teksten waarin de plannen en ideeën van een partij worden opgesomd. Steeds meer partijen produceren daarnaast een verkorte versie van het programma, geschreven voor een breder lezerspubliek.

naar boven

Vertrouwensregel

De regel dat bestuurders (in de regering, provincie of gemeente) het vertrouwen moeten genieten van een meerderheid van de volksvertegenwoordiging van het betreffende gebied. De vertrouwensregel staat niet in de grondwet - het is een regel van ongeschreven staatsrecht.

naar boven

Vervroegde verkiezingen

Verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn er om de vier jaar, tenzij het kabinet binnen die tijd ten val komt. Dan vinden vervroegde verkiezingen plaats, binnen een bepaalde periode na het aftreden van het kabinet. De regering kan zonder kabinetscrisis niet besluiten de verkiezingen te vervroegen, zoals bijvoorbeeld in Groot-Brittannië mogelijk is. Daar kan de regering bij gunstige opiniepeilingen proberen een verkiezingswinst zeker te stellen door de verkiezingen te vervroegen. Vervroegde verkiezingen voor gemeenteraad en Provinciale Staten zijn in Nederland niet mogelijk. Als bijvoorbeeld een gemeentebestuur ten val komt, moet er een nieuw bestuur worden gevormd op basis van de bestaande zetelverdeling in de gemeenteraad.

naar boven

Verzuiling

De verdeling van een maatschappij in verschillende groepen op grond van geloofs- of levensovertuiging. Nederland was tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw een sterk verzuild land. Er bestonden vier zuilen: de katholieke, de protestants-christelijke, de socialistische en de algemene (liberale) zuil. Elke zuil had zijn eigen organisaties op de meest uiteenlopende terreinen: van vakbonden via media tot sportclubs. Tussen de zuilen bestonden weinig contacten. Aan de top van de zuilen, in de politiek, was echter wel sprake van samenwerking en compromisvorming. In de loop van de jaren zestig brokkelde de verzuilde maatschappij in hoog tempo af. Dat proces noemen we ontzuiling. Het had te maken met allerlei maatschappelijke ontwikkelingen in die jaren, zoals de ontkerkelijking en de individualisering.

naar boven

Volksinitiatief

Het volksinitiatief is een vorm van directe democratie . Een volksinitiatief is een referendum over nieuwe, door de burgers aangedragen onderwerpen. Het is dus niet alleen een referendum dat door burgers is aangevraagd, maar ze leveren zelf ook het ter stemming gebrachte voorstel. De uitslag van een volksinitiatief kan bindend of raadgevend zijn. Een van de bekendste landen met een volksinitiatief is Zwitserland.

naar boven

Volmachtstem

Wie op vakantie is of om een andere reden niet in staat is om te stemmen, kan bij volmacht stemmen. Een andere stemgerechtigde kan namens de afwezige kiezer stemmen. Instructies voor het verlenen van een volmacht staan achter op de stempas.

naar boven

Voorkeursdrempel

Wie met voorkeurstemmen gekozen wil worden, hoeft niet persoonlijk het aantal stemmen nodig voor een zetel (de kiesdeler ) te halen. Reeds wanneer een kandidaat 25% van de kiesdeler heeft gehaald, komt hij in aanmerking voor een zetel. De partij moet dan in totaal wel voldoende zetels hebben behaald om de kandidaten met de meeste voorkeurstemmen een zetel te bezorgen. Deze voorkeursdrempel van 25% van de kiesdeler kwam in 2010 neer op 15.694 stemmen.

naar boven

Voorkeurstem

Bij de verkiezingen wordt formeel niet op een partij, maar op een kandidaat gestemd. Veel mensen kiezen eenvoudigweg voor de hoogste op de lijst, de lijsttrekker . Toch geven ook veel mensen de voorkeur aan een lager geplaatste kandidaat en brengen een zogenaamde voorkeurstem uit. Kandidaten die te laag op de lijst staan om automatisch één van de zetels van de partij in de wacht te slepen, kunnen een zetel halen door meer voorkeurstemmen dan de zogeheten voorkeursdrempel te halen.

naar boven

Vrouwenkiesrecht

Lange tijd was deelname aan de politiek voorbehouden aan mannen. Pas in 1919 is aan vrouwen het actief kiesrecht toegekend. Het passief kiesrecht bestond voor vrouwen weliswaar iets eerder, maar ook daarvan is pas (geruime tijd) na 1919 op grote schaal gebruik gemaakt. Nog altijd ligt het aantal vrouwelijke politici lager dan het aantal mannen in de politiek.

naar boven

W

Waarborgsom

Om deel te nemen aan verkiezingen moeten nieuwe partijen een waarborgsom storten: 11.250 euro bij verkiezingen voor Tweede Kamer en Europees Parlement, 1250 euro bij verkiezingen voor Provinciale Staten en 225 euro bij gemeenteraadsverkiezingen. De waarborgsom wordt terugbetaald als de partij ten minste 75% van de kiesdeler heeft gehaald. De regeling is bedoeld om minder serieuze partijen ervan te weerhouden deel te nemen aan de verkiezingen.

naar boven

Waarnemers

In berichten over verkiezingen elders in de wereld duiken regelmatig waarnemers op: mensen die toezien op het eerlijke verloop van de verkiezingen. Ze verschijnen alleen in die landen waar kennelijk aan de eerlijkheid van de verkiezingen wordt getwijfeld. Incidenteel verschijnen ook in Nederland waarnemers. Het is een ander soort waarnemers: meestal gaat het om 'studiereizen' uit landen die minder lang ervaring met de organisatie van verkiezingen hebben.

naar boven

Wethouder

Een wethouder is lid van het college van burgemeester en wethouders . Een wethouder wordt door de gemeenteraad benoemd. Als wethouders uit de gemeenteraad zelf afkomstig zijn, moeten ze na aanvaarding van hun functie het raadslidmaatschap opgeven. Het is ook mogelijk om wethouders van buiten de raad te benoemen, zelfs als ze in een andere gemeente wonen. In het laatste geval moeten ze dan wel binnen een jaar verhuizen naar de gemeente waarin ze wethouder zijn geworden. Het wethouderschap is meestal een voltijdse baan; anders dan een gemeenteraadslid krijgt een wethouder daarom een salaris. Tussen raad en wethouder geldt, evenals tussen de Tweede Kamer en de minister, de vertrouwensregel. Een wethouder kan door de gemeenteraad worden afgezet indien hij niet langer het vertrouwen van de raad geniet. Een opengevallen plaats wordt over het algemeen opgevuld door een ander lid van de partij van de vertrokken wethouder.

naar boven

Woensdag

In veel landen vinden verkiezingen op zondag plaats. Het is met name de protestantse traditie die ervoor heeft gezorgd dat Nederland altijd op een werkdag stemt, namelijk op woensdag (er zijn uitzonderingen, zoals in 2006 voor de gemeenteraden). De verkiezingen voor het Europees Parlement vinden doorgaans op donderdag plaats, want daarvoor zijn in de Europese Unie vier dagen gereserveerd: donderdag tot en met zondag.

naar boven

Z

Zendtijd

Wanneer een partij deelneemt aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer levert dat zendtijd op radio en tv op. In het kader van de zendtijd voor politieke partijen mogen alle deelnemende partijen zich aan de kijkers en luisteraars presenteren. Dit systeem garandeert voor alle partijen een (minimale) toegang tot de media. De uitzendingen zijn echter kort en worden door een beperkt publiek bekeken en beluisterd. Veel belangrijker is alle aandacht van de media voor politieke partijen in nieuwsuitzendingen en actualiteitenrubrieken.

naar boven

Zwevende kiezer

De verkiezingsstrijd richt zich met name op de kiezers die het nog niet weten: de zwevende kiezers. Met het verdwijnen van de verzuiling verbinden steeds minder mensen zich levenslang aan dezelfde partij .

naar boven

Het is mogelijk dit Politiek ABC als PDF te downloaden.

Meer informatie

Dit dossier wordt onderhouden door Harm Ramkema. Heeft u een opmerking of een vraag over de informatie in dit dossier, stuur dan een e-mail naar h.ramkema@publiek-politiek.nl of bel (020) 521 76 64.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in januari 2010 een staatsrechtelijk lexicon uitgegeven: Van Abdicatie tot Zetelroof. Begrippen uit het staatsrecht verklaard door Max de Bok. Te bestellen en te downloaden via de website van Postbus 51 .